Conclusie

Uit de combinatie van het opgenomen geluid en beeld (zie video en onderstaande afbeelding) kunnen enkele conclusies getrokken worden. Het geluid dat door de druppelinslag ontstaat, is zo sterk dat het niet kan worden verwaarloosd. Verder zorgt ook het ineenstorten van een cavity voor geluid in het water. Uiteindelijk blijkt het meeste geluid in het water te ontstaan door een oscillerende luchtbel, die na de druppelinslag ontstaat. Pieken in het geluid corresponderen met maximale uitwijkingen in de oscillatie van de luchtbel.

Resultaten: beelden uit de video in combinatie met het gemeten geluid.

Resultaten: beelden uit de video in combinatie met het gemeten geluid.

De verwachting dat de belgrootte gerelateerd is aan de frequentie volgens Minnaerts formule lijkt te kloppen, maar dit kan niet met zekerheid gesteld worden. De bellen zijn wel van de verwachte grootte, maar het was niet mogelijk om de verwachte frequenties direct te meten.

Het gemeten geluidssignaal in zowel het tijdsdomein als in het frequentiedomein.

Links staat het geluidssignaal in het tijdsdomein en rechts in het frequentiedomein.

Wat wel opvalt is dat er een piek in de frequentiespectrum is gemeten rond de 830 Hz. Dit komt theoretisch overeen met een bel met een diameter van 7,8 ± 0,1 mm. Dit is een factor 10 groter dan de grootste gevonden bel. Deze grootte lijkt overeen te komen met de grootte van de cavity, maar een cavity kan nooit de oorzaak zijn van dit geluid.

Wat hier waarschijnlijk aan de hand is, is dat de hogere frequenties om de Nyquist-frequentie van ongeveer 2500 Hz zijn ‘heengeklapt’ als gevolg van de te lage bemonsteringsfrequentie van 5000 Hz. De gevonden frequentie van 830 Hz komt dan overeen met 4200 Hz. Dit zou een theoretische straal voor een bel impliceren van 0,8 mm. Over de onzekerheid kan niet veel gezegd worden, omdat Nyquist-frequentie alleen in een ideale situatie de helft van de bemonsteringsfrequentie is, dit is in realiteit dus nooit precies het geval. Toch lijkt het erop dat dit overeen komt met een bel die daadwerkelijk is gevonden. Metingen met een hogere bemonsteringsfrequentie zijn echter noodzakelijk om met zekerheid te kunnen stellen dat de theorie en het experiment overeenkomen.